Door de Archeoloog der St Pietersberg op 13-3-2026
E-mail: archeoloog@sintpietersberg.com
In het boek “De Sint Pietersberg” uit 1938i wordt door eerstgenoemde auteur een duidelijk beeld geschetst van de leeftijd der gangen binnenin het Plateau van Caestert. Er bestaat geen twijfel over de leeftijd maar toch probeerde een belangenvereniging met een tijdschrift genaamd sok er in de moderne tijd en ander verhaal omheen te breieniiiiiiv. Er is hier makkelijk sprake van het grootste archeologische schandaal van Maastricht, mogelijk zelfs heel Limburg. Alles wat van Schaïk schreef is namelijk de waarheid!
Al jarenlang wordt er moedwillig een verhaal verspreid dat totaal haaks staat op de werkelijkheid zoals die al lang bekend was. In feite beweren een handvol Zuid-Limburgse schrijvers halsstarrig dat de oorsprong van het gangenstelsel ergens tussen de 11e en de 13e eeuw ligt. Dit klopt niet. Het is erg raar dat ze deze datering verspreiden omdat we even verderop in Rijckholt een ondergrondse vuursteenmijn kennen die maar liefst 5000 jaar ouder blijkt te zijnv.
Kennelijk was een beroemd wereldrijk van destijds 75 miljoen mensen waarvan een half miljoen soldaten volgens de belangenvereniging met een tijdschrift hier in de provincie Germania Inferior niet in staat om ondergrondse groeven aan te leggen, teneinde er uiteindelijk kalkcement van te produceren. Welk doel dient dit? Hebben wij hier te maken met de PR afdeling van de ENCI in plaats van een wetenschappelijke vereniging? Ergo, een pseudo-studiegroep?
Ik zal hier de relevante teksten van vroeger opsommen zodat u zelf een duidelijk beeld kunt vormen.
Disclaimer: Enkel de foto van DC van Schaïk hier onder werd met AI ingekleurd, voor de rest van dit artikel werd er geen AI gebruikt!
De Romeinse Provincie Germania Inferior, waar onze regio destijds deel van uitmaakte. Zoals we zien ligt de Sint Pietersberg “Ongeveer in het midden van het land der Eburonen”. Naar Titus Panhuysen 2013vi.
De electrotechnisch ingenieur DC van Schaïk staat bij een portret van hemzelf in het Noordelijk Gangenstelsel te Maastricht. Afbeelding ingekleurd met ChatGPT.
“Onder de kalklagen zijn er van verscheidene meters dikte, welke een zeer gelijkmatige samenstelling hebben en reeds sedert den tijd der Romeinen door de gemakkelijkheid, waarmee de steen kon worden bewerkt, zijn ontgonnen; de er uit gezaagde blokken werden gebruikt als bouwsteen voor huizen, fundamenten en vestingwerken. Vanuit de dalen, waar die lagen aan den dag traden, of gemakkelijk te bereiken waren, had de ontginning ondergronds plaats, zoodat er een groot aantal onderaardsche gangen in ontstaan zijn. Doordat dit gedurende een reeks van eeuwen onafgebroken plaats had, zijn die gangen steeds verder uitgebreid en vormen ze een enorm doolhof. De gangen zijn onderling slechts op weinige meters van elkaar verwijderd en kruisen elkaar op de meest grillige wijze…” P45
De eerste alinea kan als referentie naar Plinius de Oudere worden gezien die in boek Historia Natur 36vii hoofdstuk 44 over een steensoort spreekt die wel heel erg veel op mergel lijkt:
“Er zijn ook opmerkelijke voorbeelden, voorbij de Alpen, van de natuurlijke zachtheid van bepaalde soorten steen. In het gebied van de Belgae is er een witte steen die met dezelfde zaag als voor hout gezaagd kan worden, en zelfs nog gemakkelijker. Deze steen wordt gebruikt als vervanging voor dakpannen en gootpannen, en zelfs voor het soort dakbedekking dat bekendstaat als de ‘pavonaceus’-stijl, als men dat verkiest. Dit zijn de stenen die in dunne platen gezaagd kunnen worden.”
Dit wordt zo genoemd vanwege de gelijkenis met de vlekken op een pauwenstaart. Hij verwijst waarschijnlijk naar de dakbedekking met tegels die in de vorm van schubben zijn gesneden, een methode die nog steeds veel gebruikt wordt op het vasteland, en met name in Zwitserland.
– Plinius de Oudere.
“De Sint Pietersberg is daardoor teveel geworden de bezienswaardigheid bij Maastricht zonder meer en te weinig heeft men hem doorgrond als te zijn: een nationaal monument, dat met zijn geschiedenis en cultuurhistorische waarde uit een reeks van eeuwen tot ons komt, langer en meer wellicht, dan waarop eenig monument van Nederlandschen bodem bogen kan! Men heeft nooit in voldoende mate geweten of tot uiting gebracht en gewaardeerd, wat men in de onderaardsche wereld van den St. Pietersberg bezeten heeft; in ieder geval is dit vergeten en verwaarloosd. Dit onomwonden uit te spreken doet niets af aan het onder oogen zien van een juiste verhouding van economische en ideëele belangen, welke verhouding thans het standpunt moet bepalen, dat men ten aanzien van dit nationale bezit moet innemen.” pagina 49
“Hier zijn nu allen verdwenen en eigenlijk heeft het eens zoo beroemde gangenstelsel Slavante geen ingangen meer. Het is meer dan waarschijnlijk, dat we op deze plaats met de oudste gangen te doen hebben, waaruit de Romeinen den steen gewonnen hebben, welke zij voor hun nederzettingen, versterkingen en verschansingen, en later ook voor hun bouwwerken, hebben gebruikt. Wanneer men hier de bovenste gedeelten der gangen, dus die, welke het eerst gemaakt zijn, beschouwt, ontkomt men niet aan den indruk, dat hier menschen aan het werk geweest zijn, die op het gebied van bouwwerken de noodige ervaring hadden en van het begin af aan ook deze onderaardsche steenontginning op de juiste en op regelmatige wijze hebben aangevat. Overal in den berg ziet men dat de zogenaamde bovenverdieping het mooiste bewerkt is, met de regelmatigste zaagvlakken, maar hier, in dit gedeelte, is beslist de geheele opzet en uitvoering dier bovenverdieping van een opvallende regelmaat.” pagina 81
“De oorspronkelijke ontginners hebben het plafond zo min mogelijk verzwakt, door niet de volle rechthoekige doorsnede van de gangen weg te nemen, maar links en rechts overal schuine hoeken te laten zitten, als om een zekeren gewelfvorm te benaderen. Ook de maten der blokken, welke men hier aanvankelijk heeft uitgezaagd, zijn geheel anders en vermoedelijk zijn deze veel grooter geweest dan men later gewoon was te maken, zooals dit ook elders bij de Romeinse ontginningen wel is vastgesteld. Misschien zouden zij, die hier een aanvang met de steenwinning gemaakt hebben, wel hun hart hebben vastgehouden, wanneer ze eens gezien hadden, hoe men later in den berg is te werk gegaan! “ pagina 82
“Bory beschouwt deze gangen, welke in het begin van de negentiende eeuw door den toenmaligen bezitter van het Kasteel Caestert werden vrijgelegd, als de oudste van den geheelen berg. (Hij bedoelt Ternaaien Boven Beneden en de Caestertgroeve) Doordat de kolommen, die een buitengewone hoogte hebben, tot vijftien meter, over de geheele hoogte ongeveer eenzelfde bewerkingswijze vertoonen, neemt hij aan, dat deze gangen ineens over hun volle hoogte werden gemaakt. De oude bewerkingswijze van het plafond en het feit, dat de hier uitgezaagde blokken een veel grootere afmeting hebben gehad dan in de andere gedeelten van de St. Pietersberg, duiden er volgens hem op, dat we hier ontegenzeggelijk met gangen van Romeinschen oorsprong hebben te doen. Ook de randen, welke men rondom de kolommen, blijkbaar ter versterking, tegen het plafond heeft laten zitten, gaven hem deze gedachte in. Tenslotte vermeld hij de vondst van een beeldhouwwerk aan een der ingangen, dat door de verweering in de loop der tijden niet zoo direct was waar te nemen. ” Jean Baptiste Bory de St-Vincent wordt hier geciteerd door van Schaïk op pagina 103.
“Algemeene opmerkingen over het ontstaan der gangen circa 15 eeuwen geleden, den handel in steenen en mergel, en het doolhof , dat zich vanaf het fort tot op vier mijlen zuidwaarts uitstrekt.
“Deze
onderaardse ruimten bieden middelen van verdediging die werkelijk
buitengewoon zijn. Door ze te laten springen met behulp van mijnen en
fougassen die men erin had aangebracht, zou men alle werken die de
vijand zou kunnen ondernemen, kunnen doen instorten. Zodra hij de
berg zou binnendringen, zou men hem meer dan honderd voet diep in de
berg kunnen begraven. Het is alleen door gebrek aan een uitgebreid
plan dat de vijand er niet in is geslaagd de loopgraaf tot
tweehonderd toises van het fort te openen: de entonnoir [trechter] is
meer dan dertig voet diep gevonden door deze mijnen, die op zich al
bijzonder genoeg zijn. Wij zouden deze gedwongen holen zeker hebben
leeggeveegd voordat we ze zouden openen. Wij erkennen niet dat we in
het begin de uitbreiding van deze onderaardse ruimten hebben
verwaarloosd, noch dat we hebben nagelaten de ingangen ervan te
beveiligen. De belegeraars zouden de vorm van deze souterrains hebben
kunnen benutten, onze onwetendheid en het gebrek aan beveiliging van
onze ingangen misbruikend, om forten te maken op meer dan twee mijlen
afstand van de plaats, de bruggen te breken die wij bij Eisden en
Visé hadden, of veeleer zouden ze boven op de berg zijn teruggekomen
zonder dat men hen zou hebben gezien, alsof ze er helemaal niet waren
geweest. Het is
meer dan waarschijnlijk dat het juist via deze weg was dat de
generaal met de helft van het leger is vertrokken, wat hen ertoe
bracht een uitval te doen waarover wij ons aanvankelijk verbaasden.
De schrijver vervolgt zijn verdediging van het fort. Hij wijst op de
beschouwingen dat men bij ondergrondse ontploffingen zonder gevaar op
vrije korte afstanden moet kunnen handelen. Hij kan alle ingangen van
de berg zo bewaken dat de gevluchte ladingen, zodra men deze tien
allen tegelijk wil laten springen. Ook
kan men de gangen gebruiken voor het vervoer van manschappen en
dieren en voor het opslaan van allerhande voorraden: dit was immers
altijd het gebruik dat men van de boeren deed, en dit ook met goed
gevolg gebeurde.
„Het deel van deze grot dat het dichtst bij het fort St. Pierre ligt, wordt aan de kant van de Maas gedeeld door aardverschuivingen en aan de andere kant door het deel van de Jeker. Door de communicatie van het ene naar het andere deel te laten lopen rond deze aardverschuiving, kan men een gemakkelijke ingang maken vanaf de Luikerweg en bakkerijen voor ventilatie in het plafond dienen als schoorsteen. Behalve twee waterputten moeten er meer komen. Zo worden verschillende bijkomende voorzienigheden behandeld, gegeven over alle werken die men in de gangen moet uitvoeren. Reeds is men met een klein deel van de werken van Lagastine begonnen, waarin men opmerkt dat de werken hem een korte omvang en te kostbare bijkomstigheden lijken te hebben om in vredestijd te worden gemaakt. Hij wil daarom de voorgestelde dwarsverbinding beperken tot: 1. de Luikerweg, 2. de voorgestelde dwarsverbinding van de grote ingang door de berg, 3. een aquaduct door de berg en enkele kleinere werken.”
*Mémoire sur les Travaux à exécuter pour la défense. * “Verbeteringen voor het fort aangegeven.”
In dit rapport worden de grote ingang van de gangen aan de zijde van de naderende vijand als eerste noodzakelijk voorgesteld, teneinde zowel de gangen als de verschillende ingangen te kunnen bestoken. De uitgang wordt beschermd bij de maatregelen, welke men aanvaardt tot een klein aantal, dat men dan nemen moet worden: het beperken ook van enkele uitgangen op grote afstand van beter beheersen kan. Pagina 385
Tot
zover de woorden van Van Schaïk, we pakken er nu een aantal bronnen van de Romeinen
bij die op Perseus.tufts.edu te vinden zijn.
Lucullus trok in 72 v.Chr. met de prestige van de overwinning naar het front, waarbij hij alles op zijn pad onderwierp en zijn leger liet leven van het land. Al snel kwam hij in een rijk gebied terecht dat gespaard was gebleven van de verwoestingen van de oorlog. Daar kostte een slaaf slechts vier drachmen, een os één drachme, en geiten, schapen, kleding en andere dingen in verhouding. Lucullus sloeg het beleg op voor Amisus en ook voor Eupatoria, dat Mithridates naast Amisus had gebouwd³, naar zichzelf had genoemd en waar hij zijn koninklijke residentie had gevestigd. Met een ander leger belegerde hij Themiscyra, genoemd naar een van de Amazones en gelegen aan de rivier Thermodon. De belegeraars van deze plaats brachten torens aan, wierpen wallen op en groeven tunnels die zo groot waren dat er ondergronds forse gevechten in konden plaatsvinden. De inwoners maakten van bovenaf openingen in deze tunnels en joegen beren en andere wilde dieren en zwermen bijen naar binnen tegen de werkers. Degenen die Amisus belegerden, leden op andere manieren. De inwoners weerstonden hen dapper, voerden vaak uitvallen uit en daagden hen regelmatig uit tot man-tegen-mangevechten. Mithridates stuurde hun vanuit Cabira, waar hij de winter doorbracht en een nieuw leger verzamelde, ruimschoots voorraden, wapens en soldaten. Daar bracht hij ongeveer 40.000 infanteristen en 4000 ruiters bijeen.
Het is algemeen bekend dat de volken van Germanië geen steden hebben en dat ze zelfs nauw aaneengesloten woningen niet verdragen. Ze wonen verspreid en afzonderlijk, precies zoals een bron, een weide of een bos hen heeft aangetrokken. Hun dorpen bouwen ze niet op onze manier, met gebouwen die aan elkaar verbonden en samengevoegd zijn, maar iedereen omringt zijn eigen woning met een open ruimte, hetzij als voorzorg tegen de gevaren van brand, hetzij omdat ze niet weten hoe ze moeten bouwen. Ze maken geen gebruik van steen of tegels; voor alles gebruiken ze hout, ruwe blokken zonder enige versiering of aantrekkelijkheid. Sommige delen van hun gebouwen kleuren ze zorgvuldiger met een klei die zo helder en glanzend is dat het op schilderkunst lijkt, of op een gekleurd patroon. Ze graven ook ondergrondse holen uit en stapelen daar grote hopen mest op, als beschutting tegen de winter en als opslag voor de oogst van het jaar, want door zulke plekken verzachten ze de strengheid van de kou. En als een vijand nadert, verwoest hij het open land, terwijl wat verborgen en begraven is óf niet bekend is, óf hem ontgaat juist doordat het gezocht moet worden.
Complete Works of Tacitus. Tacitus. Alfred John Church. William Jackson Brodribb. Lisa Cerrato. edited for Perseus. New York. : Random House, Inc. Random House, Inc. reprinted 1942.
Deze
passage komt uit Tacitus' Germania
(hoofdstuk 16 over huisvesting). Voor een bekende Nederlandse
vertaling kun je kijken naar die van Vincent Hunink (uit Leven
van Agricola & De Germanen)
Terwijl de Romeinen het beleg sloegen voor Heraclea, viel Philippus, zoals afgesproken met de consul, Lamia aan. Hij was naar Thermopylae gegaan om de consul en het Romeinse volk geluk te wensen met de overwinning en tegelijkertijd zichzelf te verontschuldigen wegens ziekte [2??] omdat hij niet had deelgenomen aan de operaties tegen Antiochus. [3] Vervolgens scheidden de twee bevelhebbers zich om gelijktijdig de belegering van de twee plaatsen voort te zetten. Deze liggen ongeveer zeven mijl van elkaar verwijderd, en omdat Lamia op hoger gelegen terrein staat en uitkijkt op de berg Oeta, lijkt de afstand zeer kort en is alles wat in de ene plaats gebeurt vanaf de andere te zien. [4] De Romeinen en de Macedoniërs waren ijverig bezig, alsof ze in wederzijdse rivaliteit streden bij de belegeringswerken of in daadwerkelijke gevechten dag en nacht.
Maar de Macedoniërs hadden de moeilijkere taak, omdat de Romeinse galerijen, vineae en al hun belegeringswerktuigen bovengronds waren, terwijl de Macedoniërs de aanval uitvoerden met ondergrondse mijngangen, en op moeilijke plekken vaak op rots stootten waarop ijzeren gereedschap geen vat kreeg. [5] Toen hij merkte dat hij weinig vooruitgang boekte, hield de koning vergaderingen met de voornaamste mannen van de plaats in de hoop dat de burgers tot overgave konden worden bewogen. [6] Hij was er vrij zeker van dat als Heraclea eerst ingenomen zou worden, zij zich eerder aan de Romeinen zouden overgeven dan aan hem, en dat de consul hun dankbaarheid zou winnen doordat hij het beleg opgaf. [7]
Zijn vermoeden bleek juist, want zodra Heraclea was ingenomen, bereikte hem een boodschap met het verzoek het beleg op te geven, want omdat de Romeinen de strijd met de Aetoliërs hadden gevoerd, was het billijk dat zij de prijs van de overwinning kregen. [8] Zo werd Lamia ontzet en ontsnapte het door de val van de naburige stad aan een soortgelijk lot.
Uit: Livius. Ab Urbe Condita (Geschiedenis van Rome). Engelse vertaling door Rev. Canon Roberts. New York, New York. E. P. Dutton and Co. 1912.
Deze
passage komt uit Livius,
Boek 36
(rond hoofdstuk 25), over de Romeinse-Syrische Oorlog (tegen
Antiochus III) in 191 v.Chr., met de belegeringen van Heraclea en
Lamia door respectievelijk de Romeinse consul Manius Acilius Glabrio
en koning Philippus V van Macedonië.
Omdat het gevaar dreigend leek, werd de senaat bijeengeroepen op de nones (5e) van december – de dag die Cicero later zo vaak met triomfantelijke trots noemde – en werd de vraag voorgelegd wat men wenste met betrekking tot degenen die nu in hechtenis zaten.
Na een levendige discussie, waartoe Cicero's vierde Catilinariaanse rede behoort en waarvan de belangrijkste argumenten sterk en scherp zijn weergegeven in de twee beroemde toespraken die Sallustius aan Caesar en Cato toeschrijft, werd een decreet aangenomen dat de laatst mogelijke straf volgens oud gebruik moest worden toegepast op de veroordeelde verraders.
Vervolgens leidde de consul Lentulus weg naar de ondergrondse gevangenis op de helling van het Capitool, en de anderen werden door de praetors daarheen gebracht. Op dezelfde nacht werd de hooggeboren patriciër Lentulus, lid van het nobele geslacht der Cornelii, in die smerige kerker gewurgd door de gewone beul, en de rest van zijn medeplichtigen deelde zijn lot. De wettigheid van deze procedure, die later zo fel werd aangevochten, wordt besproken in de biografie van Cicero.
Deze passage beschrijft de executie van de Catilinariaanse samenzweerders (waaronder Publius Cornelius Lentulus Sura) op 5 december 63 v.Chr., na Cicero's vierde rede tegen Catilina en het senatus consultum ultimum. De executies vonden plaats zonder formeel proces, wat later leidde tot controverse (en Cicero's ballingschap in 58 v.Chr.).
Volgens Joep Orbons en Jacquo Silvertant zijn er geen bewijzen van ondergrondse Romeinse activiteit in onze regio. Wat ze precies bedoelen met regio is niet helder want Limburg bestaat pas sinds 1839. De Sint Pietersberg nam een centrale plaats in in Germania Inferior. Een plaats die ideaal lijkt voor een antieke kalkcementfabriek waardoor de Maas een belangrijke verkeersader voor een hele economie rond bouwstoffen in die tijd moet hebben gevormd.
Stroomopwaarts vindt men immers de kolenzandsteen en blauwsteen waar half Maastricht mee werd gebouwd(noot xii&xiii), terwijl er geen enkele civitas te zien is op de kaart(vi), en stroomafwaarts zien wij allerlei nederzettingen waarvan we Maastricht, Maasmechelen, Heel, Haelen, Blerick, Venlo, Cuijk, Nijmegen (Ulpia Noviomagus) herkennen en boven de Rijn, die heel lang de grens vormde van de provincie en het Rijk, zelfs een hele reeks castrae en castellae die uitstrekt van Voorburg aan zee tot aan de Vinxtbach bij Bad Breisig in Rijnland-Palts. Dit waren geen kleine tentenkampjes zoals we ze zien bij Asterix en Obelix. Men had een enorm militair belang om bouwmaterialen de Maas af te transporteren, ten behoeve van de bescherming van het achterland.
We zien dat heel het gebied tussen Maas en Rijn als een militaire buffer diende om het achterland te beschermen. En dan gaat men niet met zachte mergelblokjes muren metselen want dat is verspilling van de kalkscement die ervan kan worden gemaakt. De mergel werd in ruwe vorm naar de bouwplaats gebracht en op locatie tot kalkcement gebrand. Vervolgens werden er muren mee gemetseld zoals we die zien in de museumkelder van Derlonxii.
Dat ze in die Romeinse tijd niet bekend waren met het ondergrondse is flauwekul en kunnen we heel duidelijk zien aan alle voornoemde bronnen. Zelfs het aansjouwen van veel zwaardere blauwstenen zo groot als een ruwe mergelstoel is aangetoondxiii. Dat ze de kennis niet hadden is zoiets als beweren dat we vandaag de dag de kennis niet hebben om een kerk te bouwen.
Van Schaïk meldt ten slotte nog een heel onthullend gegeven waar wij ons vandaag moeilijk van bewust lijken: namelijk dat de Sint Pietersberg die naam pas sinds het jaar 1700 draagt. Zelfs de “Middeleeuwse blokbrekers” moeten de plaats dus anders hebben genoemd. Zou dit dan toch Atuaca / Atvaca zijn zoals vermeld wordt op de Peutingerkaart?
Al deze zaken meldde ik voor het eerst ik 2013 en sindsdien wordt dit allemaal afgedaan als ‘idioterie’ en wordt mijn persoon onophoudelijk aangevallen door leden van de belangenvereniging met een tijdschrift. Niets van hun eigen datering werd ooit fatsoenlijk onderbouwd.
Het heeft er naar mijn mening alle schijn van dat de heren van de belangenvereniging met een tijdschrift hier moedwillig iets proberen te verhullen, mogelijk zodat men zelf in alle rust en stilte op zoek kan gaan naar kostbaarheden uit voornoemde tijd, zoals de in 2008 ontdekte Eburoonse goudstatersxiv.
Hoogachtend,
De Archeoloog van de Sint Pietersberg
https://www.sintpietersberg.com/
(RVW)
De hieronder getoonde donkerrode silexxv kan als direct archeologisch bewijsstuk voor de Aduatuci geïnterpreteerd worden, waarmee Aduatuca, het fort uit Caesar's oorlogsverslagen eindelijk wordt geïdentificeerd.iDe Sint Pietersberg, DC van Schaïk 1938
iiDe Ontstaansgeschiedenis van de Gangenstelsels te Klein-Ternaaien (België) Natuurhistorische Maandblad, december 2003 pagina 334- 340 door Jacquo Silvertant https://natuurtijdschriften.nl/pub/1004188/NAHM2003092012007.pdf
iiiCaestert, een mijnbouwarcheologische erfgoedsite, IES Projectteam Caestert Jacquo Silvertant et al 2010 https://www.academia.edu/125454224/Caestert_een_mijnbouwarcheologische_erfgoedsite
iv “So from written sources there is no evidence of underground mining of chalk in the Mergelland area during the Iron Age-Roman periods (Silvertant 2013)” p27
“Several underground quarries in the Mergelland area claim Roman origins (Gemeentegrot Valkenburg), but there is no evidence whatsoever for this claim. No dateable artefacts have been found.” p31 An Archaeology of the Darkness Joep Orbons 2017 nota bene een Master Thesis.
v Vuursteenmijnen van Rijckholt: https://nl.wikipedia.org/wiki/Vuursteenmijnen_van_Rijckholt
vi Limburg een Geschiedenis tot 1500, Koninklijke LGOG 2015 p87
vii The Natural History. Pliny the Elder. John Bostock, M.D., F.R.S. H.T. Riley, Esq., B.A. London. Taylor and Francis, Red Lion Court, Fleet Street. 1855. http://data.perseus.org/citations/urn:cts:latinLit:phi0978.phi001.perseus-eng1:36.44
viiiEngelse vertaling van Appianus’ Mithridatische Oorlogen door Horace White 1899
http://data.perseus.org/citations/urn:cts:greekLit:tlg0551.tlg014.perseus-eng1:11
xihttp://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus:text:1999.04.0104:entry=catilina-l-sergius-bio-1&highlight=subterranean
xiiFoto: Muur uit de 1e eeuw na Christus in de museumkelder Derlon door Archeoloog Sint Pietersberg RVW eigen foto, oktober 2025
xiiiFoto: Spolia in de Onze Lieve Vrouwekerk te Maasticht, door Archeoloog Sint Pietersberg oktober 2025
xivhttps://historiek.net/bijzondere-keltische-muntschat-ontdekt-in-maastricht/2876/
https://www.canonvannederland.nl/nl/page/344942/de-muntschat-van-amby
https://www.viabelgica.nl/eburonen-schat-amby/
xvDe donkerrode Heligoland vuursteen waarmee een dateerbaar artefact op de plaats werd aangetoond. Precieze vindplaats blijft voorlopig geheim, maar algemeen kan gesteld worden dat het binnenin de groeve Ternaaien Beneden betreft. De steen werd aangetroffen in 2013 door de auteur van dit artikel, RVW.










