OVER DE AMORGROEVE EN DE KOEIENTRAGEDIE
door E.E.F. Stevenhagen, te Zoetermeer.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in:
- SOK mededelingen , sep 1992, nr 19;
- GeulRand, april 1993, nr 42.

OVER DE AMORGROEVE EN DE KOEIE-TRAGEDIE.

Zo nu en dan valt je oog op een groeve die niet of slecht is gekarteerd. Je trekt er dan met kompas en meetlint in om op jouw manier orde op zaken te stellen. Deze keer was dat de Amorgroeve (84a), ook wel het Bergske van Rosalie geheten of de St.Gerlachgroeve, of, zoals van Wijngaarden hem ook noemt, de zijgroeve van de Koepelgroeve (84). De groeve ligt zoals van Wijngaarden beschrijft, juist ten westen van de Koepelgroeve. In tegenstelling tot dat wat hij vermeldt staat de groeve momenteel wél in verbinding met de Koepelgroeve. Beide groeven liggen aan de Wolfsdriesweg in de gemeente Valkenburg aan de Geul, tussen Geulhem en Geulzicht.

De Amorgroeve (ik gebruik deze naam omdat die de kortste is) heeft twee ingangen die beide op het noorden uitkomen. Een aan het voetpad dat van de Wolfsdries omhoog loopt en een in de helling, 30 meter ten noordwesten van de vorige ingang. De eerste ingang is dichtgemetseld maar is aan de linkerbovenkant van een van muren met enige moeite toegankelijk. De andere ingang is d.m.v. een traliehek afgesloten. Doordat een van de tralies was verwijderd was deze afsluiting gemakkelijk passeerbaar.

Hoe klein de groeve ook is, aan de hand van de graafrichtingen zijn er zeker drie kleine stelsels te herkennen. Midden in de groeve ontmoeten de graafrichtingen elkaar in één enkele gang en geven duidelijk de scheiding tussen een oostelijke en een westelijke helft aan. In het achterste gedeelte van de oostelijke groeve zijn een paar kamers die eindigen op ingevallen aardpijpen. Uit de graafrichting en de plaats van de kamers is echter op te maken dat dit een deel van een andere groeve is: het is een stukje Koepelgroeve.

Toen al het meetwerk was uitgewerkt en mijn computer een integrale kaart van de Koepelgroeve en Amorgroeve tekende, bleek dat beide groeven een aardpijp gemeenschappelijk hadden en dat de stelsels zich op een meter na raakten.

In het noordwestelijk deel van de Amorgroeve bevindt zich een grote instortingskoepel. Vermoedelijk zijn hierachter de oude oorspronkelijke ingangen geweest. Onder langs de rand van de instortingskoepel is een spleet waaruit duidelijk een luchtverplaatsing voelbaar is. Onderzoek wees uit dat achter de spleet van de tot nu toe bekende koepel nog een instortingskoepel is, waarin men enige meters langs de stortkegel omhoog kan kijken. De twee instortingskoepels overlappen elkaar voor een deel. Bovendien zijn er zaagvlakken zichtbaar van een laatste stukje gang in de richting van de Amorgroeve. Achter deze instorting moeten zich dus blijkbaar nog meer gangen bevinden. Onderzoek van binnen uit moet echter worden afgeraden omdat de kans groot is dat men het kwetsbare evenwicht verstoort.

Reden dus om het onderzoek naar de oude ingangspartij ten westen van de Amorgroeve buiten voort te zetten. Op het kruispunt van de Wolfsdries en de Onderste Straat naarHouthem, staan onder aan de Geulhemerberg drie kleine huisjes. Aan de achterzijde bevinden zich op ca 10 meter hoogte een aantal gaten. Het linkergat geeft toegang tot een lage 10 meter lange kruipgang die aan de achterzijde naar links buigt en op instortingen doodloopt. De middelste ligt 5 meter verder en is amper toegankelijk, maar moet op de eerder genoemde kruipgang uitkomen. En nog eens vijf meter verder bevinden zich ook nog enkele restanten van een gang. Deze gang is van binnen uit naar buiten gedreven. Nog verder komt men in een strook waar ook sporen van ingangsgebieden aanwezig zijn. Een eerste onderzoek leverde echter niets anders op dan aanwijzingen dat het oorspronkelijk ingangsgebied van de Amorgroeve(n) mogelijk 50 meter ten westen van de huidige westelijke ingang heeft gelegen.

Plaatselijke bewoners vertellen mij hoe ze vanuit de Amorgroeve vroeger naar de Geulhemerberg liepen. De Geulhemerberg is echter op een ca 15 meter hoger gelegen niveau ontgonnen. Totdat het tegendeel bewezen is neem ik niet aan dat er ooit een direkte verbinding bestond tussen de Geulhemerberg en de Amorgroeve. Wel zal de verbinding van de Amorgroeve met de Koepelgroeve vroeger nog vrij begaanbaar zijn geweest. En via de Koepelgroeve kon men via een ca 200 meter lange klimmende gang uit het begin van deze eeuw, de Geulhemerberg bereiken. Dus kon men toch van uit de Amorgroeve ondergronds lopen naar de Geulhemerberg.

De familie Royen, bewoners van een van de drie huisjes, wist mij te vertellen dat zich vroeger onder in de bergrand een stal zou hebben bevonden die in de vorige eeuw zou zijn ingestort. Dit verhaal wordt inderdaad bevestigd in een artikel in de Geulrand, nr 13 van januari 1986, waaruit ik een deel citeer:

"De koeie-tragedie"

" Zo rond 1880 had de bewoner van het huis Somers zijn koe in een grot in de steile bergwand ondergebracht. Deze onderaardse stal werd gevormd door een vierkante ruimte van ongeveer vier bij vier meter, met een in mergelsteen uitgehouwen voederkribbe en een paal in de grond, waar de koe met een ketting aan vastlag. Zoals wel vaker in Geulhem gebeurt, bv. na hevige regenval of opvriezing, begon op zekere dag de mergelwand plotseling schrikbarend te schuiven. De rotsblokken daverden omlaag. Verschrikt vluchtte iedereen weg en zo werd niemand getroffen. Helaas was de ingang van de stal versperd. De stal waarin zich de koe bevond.
Met allerhande werktuigen gingen de bewoners en de buurtgenoten aan de slag om de ingang, waarachter zij de opgesloten koe van honger, dorst en ellende alsmaar klaaglijk hoorden loeien, te ontzetten. Helaas, niets hielp. De vele kubieke meters rotsblokken waren te omvangrijk om met de armzalige gereedschappen van die tijd op te ruimen.

Na vier dagen van moeizame arbeid stierf het loeien van de koe langzaam weg. Toen staakte de reddingsploeg noodgedwongen het zware karwei en de grot bleef liggen zoals ze was. Eigenlijk alleen wanneer verhalen van vroeger tijden werden opgehaald, werd er nog eens over het drama met de opgesloten koe gesproken. Zelfs waar het voorval precies had plaatsgevonden, wist niemand meer te vertellen."

De grot zou 70 jaar niet meer betreden worden. Het artikel vervolgt met de vermelding dat Sjef Royen in 1947 een poesje in een nauwe spleet van de rotswand ziet verdwijnen. Zijn nieuwsgierigheid werd gewekt en denkend aan het oude verhaal begint hij in de grond te vroeten en ontdekt dat achter de spleet een holte is.

"Voor hem doemde een ruimte van vier bij vier meter op. Bij het licht van een carbidlamp toog hij verder op onderzoek uit. Scheuren in het plafond en de wand voorspelden weinig goeds. Wie schetst zijn verbazing toen hij in een hoek van de bedompte ruimte de paal ontwaarde, waaraan aan een doorgeroeste ketting een koeienschedel en een aantal beenderen bevestigd waren. Ook stond er nog een vermolmde kruiwagen en een verroeste voederketel. Een oude tragedie had zijn ontknoping gekregen...."

Tot zover het artikel in de Geulrand. De stal werd weer vergeten. Op 15 juni 1991 hoorde ik het verhaal van de stal, het hiervoor aangehaalde artikel was mij toen onbekend. Na 44 jaar was van een groeve of stal weinig te herkennen. Met mijn schop als wichelroede ging ik op pad. En inderdaad vond ik een kleine spleet, waar bij het graven de mergel omlaag rolde. Enige uren later had ik net als Sjef Royen dat deed in 1947 de holte vrijgemaakt. Na mij van de grootte van de ruimte en de stabiliteit op de hoogte gesteld te hebben liet ik mij door de holte omlaag zakken en... ik trof er inderdaad een vier bij vier meter grote kamer aan. De beenderen van een koe lagen er nog. De schedel was verdwenen. De kaak was aan de zijkant in een nis naast de voederbak gelegd. De paal was er niet meer, evenmin de kruiwagen. Alles was vergaan, alleen een stuk bandijzer van het kruiwagenwiel(?) lag nog op de grond. Ook de ketting lag tussen de botten. De voederbak was nog duidelijk herkenbaar. De eerder vermelde voederketel was in een nis bij de ingang geplaatst. In de muur aan de rechterzijde van de voederbak zat nog een ring met houten spieën in de mergel bevestigd. Mogelijk heeft de koe hieraan vastgezeten. De wanden waren niet gescheurd, maar verweerd. Alleen de ingangspartij vertoonde in het plafond scheuren. Wederom had "een oude tragedie" zijn ontknoping gekregen.

Bij verder onderzoek bleek enige meters westelijk van de stal achter de huisjes nog een soortgelijke kamer aanwezig te zijn die gebruikt werd als stort.

Tot zover de koeie-tragedie in Geulhem. Maar welke relatie heeft de stal met de Amorgroeve? Geen, of toch wel.. De Amorgroeve ligt op een ongeveer 8 meter hoger niveau. Maar wat beschreven wordt is waarschijnlijk de instorting van de oorspronkelijke ingang van de westelijke Amorgroeve. Een aantal vragen blijven vooralsnog onbeantwoord. Welke gangen gaan achter de instorting boven de stal schuil? En waar komt de tocht vandaan uit de spleet in de Amorgroeve? Waar komt de gang vandaan achter de huisjes met een graafrichting vanuit de berg? Ligt er nog een onbekende groeve achter het Somersplein?

Overzicht vermelde groeven:
Nr 84a:Zijgroeve, Amorgroeve of Bergske van Rosalie, Coòrdinaten ingang traliehek: x=183190 y=319850
Nr 84 :Koepelgroeve, ingang: x=183270 y=319800.
Nr 87 :Geulhemergroeve. Stal achter het Somersplein: x=183170, y=319860

1. Hoger gelegen dichtgevallen ingang, van binnen naar buiten gegraven.
2. Hoger gelegen dichtgevallen ingang, vrijwel niet toegankelijk.
3. Hoger gelegen toegang tot een kleine lage ingestorte gang van ca. 10 meter.
4. Lager gelegen kamer van ca. 4 X 4 meter, in gebruik als stortplaats.
5. Ingang van de voormalige stal met het skelet van de koe, achter het Somersplein.
6. Westelijke ingang van de Amorgroeve, met een traliehek afgesloten.
7. Dichtgemetselde oostelijke ingangen van de Amorgroeve.
8. Dichtgemetselde, maar nog passeerbare oostelijke ingang van de Amorgroeve.
9. Toegang tot de Koepelgroeve.

A. Kruipgang-verbinding met tweede, nog niet onderzochte, instortingskoepel.
B. Scheiding tussen de oostelijke en de westelijke Amorgroeve.
C. Vanuit de Koepelgroeve gegraven deel van de Amorgroeve.
D. Kruipverbinding door een ingevallen aardpijp naar de Koepelgroeve.

In dit verhaal wordt gerefereerd aan:
RAPPORT OVER DE ONDERGRONDSE MERGELGROEVEN IN ZUID LIMBURG, Dr. A. van Wijngaarden, Rivon. Bibliotheek Provinciale Waterstaat in Limburg, nr. 2510/72
GEULRAND 13 (1986) 27, "Een koeie-tragedie in Geulhem".

De Koepelgroeve staat bij de Rijksgeologische Dienst bekend onder het nummer 62A-360. De Amorgroeve wordt onder het nummer 62A-362 vermeld als St. Gerlachgroeve.

De naam "Bergske van Rosali" wordt ontleend aan de vrouw die met haar zeven dochters (de "veertien billekens van Rosali") tegenover het voetpad langs de Amorgroeve/Koepelgroeve woonde.

Dankbaar is gebruik gemaakt van de kaart van de Studentengroeve en de Koepelgroeve, schaal 1:200, Diederen en Kelderman, maart 1984. Bergske van Rosali, schaal 1:500, Diederen 198?. Schets van de Amorgroeve, Marian Verdonk, 1971.

Foto bijschrift ansichtkaart:
In de rechter bovenhoek is de ingang naar de Koepelgroeve te zien. Links het huis waar Rosali woonde.


Internet:Mergelgroeven in Limburg
Email: Ed.Stevenhagen@net.HCC.nl