C170 Groeve Herkenbosch
C170 - GROEVE HERKENBERG
TE MEERSSEN
De groeves Herkenberg bestaan uit een aantal kleine maar zeer oude groeven
die bij toeval werden ontdekt in 1891. De plattegronden hebben, net als de vuursteenmijnen van
Rijckholt de vorm van een klaverblad.
De groeven bevinden zich onder het spoor Maastricht-Valkenburg, tussen km 30.1 en km 30.45.
De tekst is gescand en m.b.v. OCR overgenomen en nabewerkt door E.Stevenhagen.
De tekst is als pagina opgenomen op de internet-site
Limburgse Mergelgroeven
Natuurhistorisch Maandblad,
26e jaargang, no 12, pag 133-137. Maastricht, 31 december 1937.
Verslag van de maandelijksche vergadering op woensdag 1 dec 1937.
Tenslotte deelde spr. een en ander mede over de waterbeweging door het krijt,
als onderdeel van een geo-hydrologisch onderzoek van Zuid-Limburg
(ingesteld door de N.V. Waterleiding Mij. voor Zuid-Limburg,
onder medewerking van het Geologisch Bureau en het Rijksbureau voor
Drinkwatervoorziening ). Daarbij is onder meer aandacht besteed aan het voorkomen
van eventueele holle ruimten van natuurlijken oorsprong
(karst) in het krijt.
In dit verband deelde spr. het een en ander mede over instortingen,
die zich reeds in 1853 bij den aanleg van den spoorweg Aken-Maastricht,
onder Meerssen, nabij den Herkenberg hebben voorgedaan,
doch in nog veel sterkere mate in het jaar 1891, toen smeltende sneeuwmassa's den spoorweg
overstroomden en instortingen veroorzaakten.
Op grond van oude bescheiden van de "Grand Central Belge" -
welwillend ter inzage verstrekt door de Nederlandsche Spoorwegen
(vooral door toedoen van ir. Martens alhier) - kan ik de volgende details mededeelen.
Ten behoeve van het onderzoek van de geconstateerde instortingen zijn in 1891 door de genie
eenige schachten gemaakt tot in het krijt en eenige gangen gemineerd tot ter
plaatse van de instortingen, een en ander zooals op bijgaande teekening is aangegeven.
Daarbij bleek, dat de voornaamste instorting aangeduid met I -
was veroorzaakt door het bezwijken van het koepelvormige
dak van een manshooge, groote, holle ruimte in het krijt, die
had bestaan uit een centrale ruimte met een ring van rozetvormig daaromheen gegroepeerde kamers.
Op een punt bleek een verbinding te bestaan met een ongerepte, nevenliggende, soortgelijke kamer,
waarvan de oorspronkelijke toegangsschacht nog duidelijk te herkennen was.
Door de duidelijke sporen van het pikhouweel op de wanden
kwam onomstootelijk vast te staan, dat men hier niet met natuurlijke holten te doen had,
doch dat hier - voor menschenheugenis - opzettelijk door menschenhand vervaardigde holen
moest betreffen, waarvan de bedoeling voor loopig in het duister lag.
Daar spr. ter oore kwam, dat Pastoor Habets destijds bij een en ander betrokken was geweest,
was het mogelijk een desbetreffend artikel te achterhalen van dezen schrijver, opgenomen in
de Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen over 1892,
Afd. Let terkunde, 3e Reeks IX bl. 259.
Hij deelt daarin mede, dat de oorspronkelijke inhoud van deze holle ruimten niet was :
"samengesteld uit vasten steen, die gezaagd kan worden, maar uit steenblokken en blokjes,
die de blokbrekers de Crauberger noemen en die tusschen een soort van mergelkalk liggen,
veel gelijkende op wit zand, maar kleverig en vettig gelijk klei, welke losse mergel door de
steenbrekers aardmergel of vette mergel wordt genoemd."
Voorts wijst Habets er op, dat de sporen van bikkel en stootijzer overeenkwamen met die op de grootere,
bezaagde mergelblokken van de door hem in 1865/66 onderzochte resten van de Romeinsche villa
op den nabijen Herkenberg.
Indien de steenen uit de onderhavige holen naast de opgegraven resten van de villa werden gelegd,
bleek onderscheiding niet mogelijk. De vraag bleef dus nog, wat met de honderden
karrevrachten "aardmergel " - die uit de holen waren verwijderd - is geschied.
Te dien aanzien veronderstelt Habets, dat deze voor de bemesting (kalking) van zure gronden is
gebruikt en laat dit niet bij een veronderstelling, doch maakt dit als volgt zeeraannemelijk.
Hij wijst er op, dat de Romeinen zulke meststof marga (mergel) of marna (Fransch marne)
noem den en gaat voort:
" Marga " - zegt het woordenboek van For cellini -est
vox gallica et britannica, qua signi ficatur genus terrae in
modum cretae albae, qua rustici utuntur ad agros stercorandos.
Videtur ea dem fuisse ac fossicia creta, qua Terentius
Varro lib. I de Re rustica narrat in Gallia ad Rhenum stercorari agros.
Ziehier nu wat deze M. Terentius Varro in zijn boek over
den akkerbouw een zijner "inter locutores" namelijk Scrofa in
den mond legt:
"In Gallia transalpine ad Rhenum, cum exercitum du cerem,
aliquot regiones accessi, ubi nec vites, nec
olea, nec poma nascerentur, ubi agros stercorarent candida
fossicia creta : ubi salem nec fossicium nec maritimum haberent,
sed ex quibusdam lignis combustis carbonibus salsis pro
eo utuntur".
Dit land, waar men de akkers met uit den bodem gegraven
krijt of kalk bemestte, lag volgens Varro, ver van de zee en
ook ver van alle onderaardsche zoutmijnen, in een streek van
Gallia Transalpina, niet ver verwijderd van den Rijn.
Deze tekst belet niet, dat wij hier aan den Beneden-Rijn en aan
Limburg denken, te meer, omdat Plinius in zijne Historia
naturalis iets dergelijks over zulke bewerking bij de Ubii
meedeelt.
Plinius spreekt in boek XVII 6, 7 en 8 over het mergelen
en kalken van den grond. Hij verhaalt, dat dit gebruik in zijn
tijd hoofdzakelijk in Galli‰ en Britanni‰ plaats vond, waar een
meststof onder den naam van mergel (marga) voorkomt. Zelfs
de oude Grieken, zegt hij, kenden den aardmergel onder den
naam van Leucargillos, die te Megara werd gevonden. Niet
zelden werd hij gelijk de ertsen uit den grond gehaald langs
putten, die soms honderd voeten, diep waren."
Habets volstaat echter niet met deze argumen teering, doch
meent ten overvloede nog een andere bewijsgrond te zien in
de benaming van Meerssen zelf:
"Hierboven hebben wij namelijk gezegd, dat het dorp Meerssen reeds ten tijde
der Karolingsche koningen bekend was. Het droeg toen den naam van Marsana, Marsna en Marsa.
In 847 vergaderden "secus municipium Trajectum in loco qui
dicitur Marsna" de drie gebroeders keizer Lotharius 1, Lodewijk 1,
koning van Duitschland en Karel de Kale, koning van
Frankrijk, om vrede te sluiten en zich te verbinden tegen de
Noormannen.
Na den dood van Lotharius vergaderden in 870,
de twee overgebleven broeders nogmaals in de nabijheid
van Marsna "in procuspide Mosae " en verdeelden er het rijk.
Karel vertoefde toen te Herstal en Lodewijk te Marsna ( Mir.
op. dipl. I ), in welke laatste plaats de annalen van St. Bertin
op het jaar 851 een "palatium regium" aanwijzen.
Dit "palatium" werd in 968 door Gerberga, koningin van Frankrijk en
zuster van keizer Otto I aan de abdij van St. Remigius te
Rheims geschonken en is er tot in de XVllde eeuw aan gebleven.
De schenkster zegt, dat dit palatium of keizerlijke palts
zeer uitgestrekt was:
"habens mansos LXXXII cum perris
videlicet cultis et incultis, silvis, pratis, vineis et pascuis,
campis, molendinis, aquis, aqua rum decursibus, exitibus et
regressibus".
Deze grondbezitting schijnt in den loop der
tijden bijna onveranderd te zijn gebleven, want toen in 1797
de proostdij werd opgeheven, was zij in bezit van ongeveer
200 bunders grond, waartoe ook de Her kenberg, met de
Romeinsche villa en de mergelputten behoorden.
De villa Meerssen droeg evenwel ook nog een anderen
naam, namelijk die van Marna. Deze had met het woord
Meerssen, Marsana, Marsna en Mersena maar weinig betrekking
en schijnt een geheele andere afleiding te hebben.
Wij meenen dat deze plaats twee namen had, namelijk een Romaansche
en een Dietsche.
De naam Marna komt voor in een charter van Keizer Koenraad uit 1145 ( Cart. Praep. Meersensis ),
verder in een van keizer Frederik I uit het jaar 1152.
In dit laatste wordt gesproken van curia Marnensis.
In 1190 spreken de monniken van Rheims van hun "Praepositus Marnensis" en
hun "decimae in Marna". Ook nog in latere akten
gebruiken de Fransche monniken bij voorkeur het woord
Marna voor Meerssen of Marsana.
Zooals men ziet, komt het woord Marna niet voor in de oudst bekende akten, maar dit
bewijst niet, dat het in de oudheid onbekend was. Wij vermoeden integendeel,
dat deze naam zeer oud is en reeds bij de Romeinen in gebruik was.
Meerssen bezat dus in zeer oude tijden twee verscheidene
namen Marsna of Marsana en Marna. Marsana of Marsna kan
men afleiden van maars of meersch, dat is: broekgrond. Dit
dorp ligt dan ook in een moerassig dal en was vroeger bekend
door zijn ongebaande wegen en uitgestrekte moerassen.
Marsana is dus een Dietsche naam. Marna integendeel beteekent
heel wat an ders ; het is in Gallisch-Romaansche taal de
benaming van onzen mergel of aardmergel .
"Marne zegt het woordenboek van Littre - est un melange naturel en des
proportions variables, de calcaire et d'argiles, auxquels se
-trouve toujours a joute un peu de sable et qui est propre 'a
amender et a en graisser certaines terres...... Une marniere est
une carriere a marne. Le mot marne en wallon mare, Namur
manle, en picard marle et merle, haut normand malle ou
male, en italien marga, en basbreton marga, irlandais marla,
allemand m'ergel, suedois moergel vient du mot gaulois
marga. On le trouve dans Pline ".
Dit alles doet ons denken, dat te Meerssen de handel in
mergel zoo uitgestrekt is geweest, dat zelfs het dorp in de
twaalfde eeuw nog naast dien van Marsana of Mersen ook den
naam Marna of Marne droeg. "
Het betoog van Habets lijkt spr., alles samengenomen, zeer
overtuigend. Een tegen-argument, als zouden de Romeinen
toch wel verstandig genoeg zijn geweest, de mergel op gemakkelijker
wijze te winnen in de steile krijtwanden bezuiden
de Geul, wordt n.m.m. voldoende weerlegd door de overweging,
dat het Geuldal destijds (zooals Habets ook uit de
Dietsche benaming afleidt) zeer moerassig was en wel geen
dwarswegen zal hebben bezeten.
In ieder geval is door kennisneming van de bescheiden van
1891/92 komen vast te staan, dat de onderhavige holle ruimten in het
krijt door menschenhand zijn ontstaan en dit was
juist, wat ons in het verband van het geo-hydrologisch onderzoek het meest interesseerde.
Aannemelijk is, dat een instorting nabij de Ijzeren Kuilen in
Rothem (vele jaren her) op gelijksoortige wijze ontstaan is.
Van natuurlijken oorsprong zal echter wel zijn geweest een
ver beneden den grondwaterspiegel op 28 meter diepte aangeboorde holle ruimte,
bij een boring aan de Koedreef onder Amby, waar bij de opvulling van het boorgat
een hoeveelheid van 28 m3 grind in een verwijding van het boorgat verdween.
Wellicht is hier dus een holle storingsspleet aangeboord,
waarvan het voorkomen als "dalscheur " geenszins onaannemelijk zou zijn.
Verder zijn ons echter nimmer natuurlijke holle ruimten van
beteekenis in het Zuid-Limburgsche krijt ter oore gekomen.
De voornaamste bedoeling van deze mededeeling is geweest,
de belangstelling te richten op het eventueel voorkomen
daarvan, onder vriendelijk verzoek desbetreffende wetenswaardigheden
wel ter kennis van spr. te willen brengen.
Ed.Stevenhagen@net.HCC.nl
Velddreef 293 Zoetermeer,
Tel 079 - 3416885